vooruit.punt.nl


Mijn hart gaat uit naar ’t ruime vlakke land

Met langs verre horizon de boerderijen

Waar langs paden populieren staan in rijen

En ruisend riet op d’ oevers langs de  waterkant

 

Waar vogels vliegen langs de hoge hemelboog

En witte wolken onderbreken ’t azuren blauw

Het veld des morgens bedekt met parelend dauw

Vanaf het water stijgt reeds vroeg nevel omhoog

 

Uit de verte wordt de roep der koekoek gehoord

De leeuwerik zingt luid boven ’t gele koren

Dit is de plek waar mijn wensen worden verhoord

 

Hoe schril is het contrast waar geluiden smoren

In klokkenspel, motorgeronk en straatkabaal

Opgesloten zicht tussen beton en metaal.

Reacties


Waar blijft de tijd die wij aan woorden wijden

Verkistend strooiend in de wind en het zwerk

De tijd in ledigheid zonder paal en perk

Waar wij naar achterklap en roddel glijden

 

Waar zijn de tijden van het glorieus fatsoen

Dat iedereen zich verre hield van laster

Zijn woorden toomde in kluister of raster

En geen medemens ooit smaad aan zou doen

 

Ach vriend het is zo lang reeds van alle tijden

De mens is verslaafd aan eigen tong en woord

Reeds tijden door schijnt het niet te vermijden

 

Zijn eigen stem wordt door hemzelf vaak niet gehoord

Daarom behandel elk mens met eerbied en respect

Omdat elk vogeltje zingt zo hij is gebekt.

Reacties


Zacht ruisten bomen in bries onder voorjaarszon

 In kleuren en geuren van jeugd en levenslust

Een wereld waar opnieuw ‘t jonge leven begon

In schaduw van bomen die noden tot rust

 

En ’t lommerrijk lover zwierde zacht in de wind

In pastelgroene tinten als schitterend smaragd

Aan menig tak die hen met stoere boom verbind

Zo ruiste en zong het stille woud dag en nacht

 

Nu buigen de kruinen onder gierend geweld

Huilt de wind door kalende takken der bomen

De bladeren dansen hun allerlaatste dans

 

En zelfs worden hier en daar bomen geveld

De dieren schuilen voor hun winterdromen

Pas na de winter komt alles weer in balans.

Reacties


Golven rollen als branding over het strand

En spoelen wieren, schelpen en wrakhout aan

Wissen sporen van verleden uit het zand

Maar de deinende zee blijft altijd zelf bestaan

 

Vanaf d’ horizon rollen golven af en aan

En peinzend op ‘t duin over  verre watervlak

Zie ik tot ver blinkend witte vogels gaan

Zwevend op thermiek met onvoorstelbaar gemak

 

In mijn droom zweef ik over de golven mee

Ver tot over eindeloze horizon

Tot daar waar de blauwe hemel raakt de zee

En in vroege ochtend de nieuwe dag begon

 

En als d’ avond valt hoort men vanaf  het strand

De branding over ’t duin tot ver in ’t binnenland

Reacties


De wensen die wij allen kennen in dromen

Die in illusie vast geworteld in ons zit

De wanen waarvan wij nooit los kunnen komen

Van hoop op rijkdom en steeds groter bezit

 

Zij bouwen kastelen van waterdamp en lucht

Ontworpen met onze rijkste woordenschat

Verwaaien menigmaal met ingehouden zucht

Langs Pruisisch blauw in gouden rand gevat

 

Zo vormen zij tezaam ons schijnbestaan

In mijmering of onwezenlijk streven

Om niet in werkelijkheid ten gronde te gaan

Maar liever in onze fantasie te leven

 

Ach d’ aardse werkelijkheid is wreed en hard

Maar geen enkele droomwens heeft die ooit ontward.

Reacties


Ik zou niet weten wat ik schrijven moet

Als jij mijn muze mij niet assisteerde

Hoelang heb ik niet op dit vers gebroed

Waardoor bijna heel mijn brein verteerde

 

Jij bracht mij woord voor woord de regels aan

Ze vormden voor mijn oog  jouw gestalte

De ware glans van zon, sterren en maan

De vertolking van ‘t hoogste gehalte

 

Ach, dat mijn vers als jouw schoonheid mag zijn

Dat het de straling heeft van jouw gezicht

Gekleed in gewaad van doorzichtig satijn

Pas dan, mijn muze, is het een waar gedicht

 

Kom dan zitten aan mijn zij en leidt mijn hand

Mijn muze, aan jouw zijn heb ik mijn brein verpand.

Reacties


Vandaag ben ik nog een door die straat gelopen

Die straat waar ik vroeger vaak door gelopen ben

En nog steeds als gisteren ieder huisje ken

Waar ik op ontmoeting met jou liep te hopen

 

Ik zag het huis waar ik naar de overzijde keek

Misschien zag je mij achter je raam wel gaan

En vroeg je af waarom ik niet even bleef staan

Maar als ik jou zag raakte ik geheel van streek

 

Vandaag heb ik toch naar jouw huis gekeken

Ben er zelfs even voor je raam stil gaan staan

Zag er nu een vrouw, niets bij jou vergeleken

 

Ze keek op maar toen ben ik maar verder gegaan

Ze was een stuk ouder en had zilvergrijs haar

Jij was dus inmiddels vandaar verhuist blijkbaar.

Reacties


We lopen slechts naast de waarheid en het licht

Gevangen in duister van gestorven liefde

Verblind de hoop die zich naar de toekomst richt

Verwijderd, elk gevoel dat niet beliefde

 

Ontheemd van elk gesprek dat ons nader bracht

Maar zoeken blindelings onze eigen wegen

We mijden dageraad en gaan door donk’re nacht

In ’t licht der ochtend komen wij onszelf tegen

 

Dan breekt aan d’ horizon het nacht’lijk duister

De nieuwe dag brengt ons weer het helder licht

Ontdoet ons weer van angst en bange kluister

En wij, wij wandelen weer in ’t helder zicht

 

Dan zien wij weer elkanders zorg en lasten

En blijven eensgezind niet in ‘t duister tasten.

Reacties


De vraag waarom ik schrijf zal ooit een antwoord krijgen

Zolang ‘t denken stil in binnenst gesloten blijft

Dan zullen woorden, zinnen nooit tot daden rijgen

Omdat geen mens het doel van werk en leven beschrijft

 

Misschien ligt in ’t vragen naar ’t waarom beschreven

Het alom weten van een steeds verzwegen woord

Als oorzaak vanuit een stille tijd verheven

Waarin men nu het steeds gemiste antwoord hoort.

 

Zolang zon, maan en sterren aan de hemelboog

Hun banen trekken in vaste lijnen en vorm

Dan houdt natuur zijn beeldend scheppend betoog

Dat wat de mens nooit bereikt in een woordenstorm

 

Waarom zou ik de vraag naar ’t waarom nog stellen

Als ik met schrijven het doel niet kan vertellen.

Reacties


Zwaar klinken de slagen ter middernachtelijk uur

Over ’t verlaten plein, door lege donkere straten

En in de stilte weergalmt de echo van muur tot muur

En in regen ondergaat de stad ’t duister gelaten

 

Lopend in het donker mis ik sterren en maan

Kijk slechts somber naar ’t glimmende wegdek

In zwarte etalages kijk ik slechts mijzelf aan

Verder is er geen mens geen hond die ik ontdek

 

Zo loop ik hier diep in mijn kraag en weer en wind

Zwelgend in zelfbeklag en zwaar medelijden

Omdat ik in heel de stad nergens warmte vind

 

En kan alleen maar mensen bij de haard benijden

De klokken zwijgen en de stad is uitgestorven

En nog geruime tijd heb ik doelloos gezworven

Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl